Salam alaikom wa rahmatulahi wa barakatuh,
Hierbij mijn nieuwe blog, ditmaal het verhaal van Sa'ied ibn Amr Al-Djoemahi:
Sa’ied ibn Amr al-Djoemahi was één van al die duizenden mensen die uit het gebied van Tan’im, net buiten Mekkah, kwam om op uitnodiging van de Qoeraisjleiders getuige te zijn van het doden van Khoehaib ibn Adiy, één van de metgezellen van Mohammed sallallahu alaihi wa sallam die door verraad gevangen was genomen.
Met zijn jeugdige enthousiasme en kracht worstelde Sa’ied zich door de menigte tot hij bij de Qoeraisjleiders was gekomen. Mannen zoals Aboe Soefian ibn Harb en Safwan ibn Oemayyah leidden de processie.
Nu kon hij de gevangene van de Qoeraisj zien, die in ketenen geboeid was, de vrouwen en kinderen duwden hem naar zijn terrechtstellingsplaats. De dood van Khoebaib was een wraakactie van de Qoeraisj voor alle verliezen die zij in de Slag van Badr hadden geleden.
Toen de menigte samen met de gevangene op de afgesproken plaats gearriveerd was, zocht Sa’ied een plaatsje op dat een direct uitzicht had op Khoebaib toen die bij het houten kruis aankwam. Daar hoorde hij Khoebaib’s besliste maar zachte stem tussen het geschreeuw van de vrouwen en kinderen:
“Als jullie mij toestaan, laat mij dan twee raka’at voor mijn dood bidden.”
Dit stonden de Qoeraisj toe.
Sa’ied keek naar Khoebaib toen die in de richting van de Ka’bah stond en bad. Wat prachtig en wat mooi leken deze twee raka’at uitgevoerd.
Toen zag hij dat Khoebaib naar de Qoeraisjleiders keek.
“Bij Allah, als jullie dachten dat ik uit angst voor de dood vroeg om te mogen bidden, dan was dat hele gebed de moeite niet waard,” zei hij.
Sa’ied was er vervolgens getuige van dat zijn volk Khoebaibs lichaam levend en wel in stukken hakte en hem tijdens dat proces treiterde.
“Zou je niet willen dat Mohammed in jouw plaats was en dat jij vrij was?”
Onder het dtromende bloed zei hij: “Bij Allah, ik zou niet veilig thuis bij mijn gezin willen zitten als zelfs maar een doorn Mohammed sallallahu alaihi wa sallam zou verwonden.”
De mensen schudden hun vuist in de lucht en het geschreeuw nam toe.
“Dood hem! Dood hem!”
Sa’ied keek toe hoe Khoebaib zijn ogen naar de hemel opsloeg boven het houten kruis.
“Tel ze allemaal O Heer,” zei hij. “Vernietig hen en laat er geen één ontsnappen!”
Daarna was Sa’ied niet meer in staat om het aantal zwaarden en speren te telle die Khoebaibs lichaam doorboorde.
De Qoeraisj keerden naar Mekkah terug en in de drukke dagen die daarop volgden, vergaten zij de dood van Khoebaib. Maar Khoebaib was altijd in de gedachten van Sa’ied, die nu volwassen werd, aanwezig. Sa’ied zag hem in zijn dromen als hij sliep, en hij zag Khoebaib voor zich toen hij kalm en tevreden zijn twee raka’at bad voor het houten kruis. En hij hoorde de echo van Khoebaibs stem toen hij om de bestraffing van de Qoeraisj bad. Hij werd bang dat een bliksem uit de hemel of een andere ramp hem zou treffen.
Khoebaib had door zijn dood Sa’ied iets geleerd waar hij zich nog nooit eerder bewust van was – het echte leven was geloof en overtuiging en de strijd op het pad van het geloof, zelfs tot de dood. Hij leerde hem ook iets anders – dat de man die zo geliefd bij zijn metgezellen is als Mohammed sallallahu alaihi wa sallam bij Khoebaib, alleen maar een profeet ko zijn met goddelijke ondersteuning.
Dus werd Sa’ieds hart voor de islam geopend. Hij stond bij de bijeenkomst van de Qoeraisj op en knodigde aan dat hij vrij van zijn zonden en lasten was. Hij verwierp hun afgoden en hun bijgeloof en verkleerde dat hij de religie van Allah was binnengegaan.
Sa’ied ibn Amr verhuisde naar Medinah en verbond zichzelf met de Profeet sallallahu alaihi wa sallam. Hij nam samen met de Profeet sallallahu alaihi wa sallam deel aan de Slag van Khaibar en andere militaire veldtochten daarna. Nadat de Profeet sallallahu alaihi wa sallam in de handen van zijn Heer was gekomen, bleef Sa’ied onder zijn twee opvolgers Aboe Bakr en Oemar, in actieve dienst. Hij had een uniek en voorbeeldig leven van de gelovige die het Hiernamaals met zijn wereld had gekocht. Hij zocht liever het genoegen en de zegeningen van Allah dan de egoïstische verlangens en lichamelijke pleziertjes.
Zowel Aboe Bakr en Oemar kenden Sa’ied goed en wisten dat hij eerlijk en vroom was. Zij luisterden naar alles wat hij te zeggen had en volgden zijn adviezen op. Op een keer kwam Sa’ied bij Oemar toen deze nog maar net kalief geworden was en zei:
“Ik raad je aan om Allah te vrezen in je omgeving met mensen en niet bang voor de mensen te zijn in je relatie met Allah. Doe wat je zegt want de beste uitspraken worden door daden gevolgd. Denk aan degenen, ver en dichtbij, die zijn aangewezen om zich over de zaken van de moslims te bekommeren. Wens voor hen wat je voor jezelf en je gezin wenst en heb voor hen een afkeer voor hetgeen jij voor jezelf en voor je gezin een afkeer hebt. Overkom alle hindernissen om de waarheid te bereiken en wees niet bang voor de kritiek van degenen die kritiek op de zaken die door Allah voorgeschreven zijn, hebben.”
“Wie kan dit allemaal doen, Sa’ied?” vroeg Oemar.
“Een man zoals jij, van degenen die Allah heeft aangewezen om zich met de zaken van de Oemmah van Mohammed sallallahu alaihi wa sallam bezig te houden en die zich uitlsuitend voor Allah verantwoordelijk voelen,” antwoordde Sa’ied.
“Sa’ied,” zei hij, “ik wijs je aan om de gouverneur van Homs (in Syrië) te worden.”
“Oemar,” pleitte Sa’ied, “ik smeek je bij Allah om mij niet te laten dwalen door mij wereldse zaken op te leggen.”
Oemar werd kwaad en zei: “Jij hebt mij de verantwoordelijkheid van het khalifaat gegeven en nu laat je me aan mijn lot over.”
“Bij Allah, ik zal je niet aan je lot overlaten,” antwoordde Sa’ied vlug.
Oemar wees hem als gouverneur van Homs aan en kende hem een toelage toe.
“Wat moet ik daar mee doen, o Amier al Moe’minien?” vroeg Sa’ied. “De uitkering van de Bait al-Mal zal meer dan voldoende voor mijn onderhoud zijn.” Hiermee ging hij naar Homs.
Niet lang daarna maakten een delegatie uit Homs deel uit van de groep mensen die Oemar in Medinah kwam bezoeken. Hij vroeg van hen om de namen van de armen onder hen te noteren zodat hij hun noden kon verlichten. Zij maakten een lijst voor hem waarop de naam van Sa’ied ibn Amr stond.
“Wie is deze Sa’ied ibn Amr?” vroeg Oemar.
“Onze amier,” antwoordden zij.
“Jullie amier is arm?” vroeg Oemar verbaasd.
“Ja,” bevestigde hij, “bij Allah, er gaan verschillende dagen voorbij voordat er in zijn huis een vuur wordt aangestoken.”
Oemar was diep geschokt en huilde. Hij nam duizend dinar, stopte dat in een geldbuidel en zei: “geef hem mijn groeten en vertel hem dat de Amier al-Moe’minoen dit geld heeft gestuurd om hem te helpen om voor zijn noden te zorgen.”
De delegatie kwam met de geldbuidel bij Sa’ied. Toen hij ontdekte dat het geld bevatte, duwde hij het weg en zei: “Wij zijn van Allah en tot Hem zullen wij terugkeren.”
Hij zei het op zo’n manier dat het leek dat hij door een ramp getroffen was. Zijn geschrokken vrouw rende naar hem toe en vroeg: “Wat is er aan de hand Sa’ied? Is de kalief gestorven?”
“Het is erder dan dat!”
“Zijn de moslims in een gevecht verslagen?”
“Het is erger dan dat. De wereld heeft zich op mij gestort om mijn hiernamaals te vernietigen en om wanorde in mijn huis te scheppen.”
“Verwijder het,” zei ze terwijl ze niets over het geld wist.
“Wil jij mij ermee helpen?” vroeg hij.
Zij stemde toe. Hij nam het geld, stopte het in tassen en verdeelde het onder de arme moslims.
Niet lang daarna ging Oemar ibn al Khathab naar Syrië om de toestand daar te onderzoeken. Hij arriveerde in Homs, wat Klein Koefah genoemd werd omdat de inwoners er, net als in Koefah, klaagden over hun leiders. Hij vroeg hun hoe zij over hun amier dachten. Zeklaagden over hem en noemden hierbij vier van zijn daden, waarvan de één nog ernstiger was dan de ander.
“Ik zal jullie beide horen,” beloofde Oemar. “En ik bid tot Allah dat mijn mening over hem geen schade zal ondervinden. Ik heb een groot vertrouwen in hem.”
Toen de ontmoeting plaatsvond vroeg Oemar naar de klachten die er over hem waren,
“Hij komt pas naar buiten wanneer de zon al hoog staat,” zeiden zij.
“Wat heb je daarop te zeggen Sa’ied?” vroeg Oemar. Sa; ied was een moment stil en zei toen, “Bij Allah, ik wilde dit echt niet zeggen maar ik heb nu geen andere uitweg. Mijn familie heeft geen hulp in huis, dus sta ik elke ochtend vroeg op en maak ik deeg voor het brood. Dan wacht ik een tijdje tot het is gerezen en dan bak ik het voor hen. En ik help mijn vrouw in het huishouden, ik ben dan in dienst van mijn vrouw. Dan doe ik woedhoe en ga naar buiten naar de mensen.”
“Wat is jullie volgende klacht?’vroeg Oemar.
“Hij geeft ons in de avond geen antwoord,” zeiden zij.
Hierop antwoordde Sa’ied schoorvoetend: “Bij Allah, ik wens dit allemaal niet te onthullen maar ik ga in de dag voor de mensen en in de nacht voor Allah, groot en verheven is Hij.”
“En wat is jullie volgende klacht?” vroeg Oemar.
“Een dag in de maand komt hij zelfs helemaal niet buiten.”
Hierop antwoordde Sa’ied: “Ik heb geen hulp in huis, O Amier al Moeminien, en ik heb geen kleren behalve hetgeen ik draag. Dit was ik eenmaal in de maand en ik wacht to het droog is. Dan ga ik laat op de dag naar buiten.”
“Nog een andere klacht over hem?” vroeg Oemar.
“Een keer in de zoveel tijd verliest hij zijn bewustzijn tijdens bijeenkomsten,” zeiden zij.
Hierop zei Sa’ied: “Ik ben toen ik een mushriek was, getuige geweest van de moord op Khoebaib ibn Adiy. Ik zag de Qoeraisj in hem snijden zeggende: ‘Zou je niet liever hebben dst Mohammed nu in jouw plaas was?’ Waarop Khoebaib reageerde: ‘Ik ben liever niet veilig ongedeerd dan dat een doorn Mohammed zou verwonden.’ Bij Allah, wanneer ik mij die dag herinner en hoe ik faalde om hem te helpen, kan ik alleen maar denken dat Allah mij dit niet zal vergeven en dan verlies ik mijn bewistzijn.”
Daarop zei Oemar: “Alle lof zei Allah, Mijn mening over hem is niet aangetast.”
Later zond hij duizend dinar naar Sa’ied om hem te helpen. Toen diens vrouw de hoeveelheid ervan zag zei zij: “Alle lof zij Allah, Die ons verrijkt heeft vanwege jouw verdienste. Koop voorraad voor ons en hulp voor in huis.”
“Is er een manier om het beter te besteden?” vroeg Sa’ied.
“Laten we het geven aan diegenen die naar ons komen en we krijgen er iets beters voor terug als we het uitgeven omwille van Allah.”
“Dat is beter.” Beaamde zijn vrouw.
Hij stopte de dinars in een kleine zak en zei tegen een familielid: “Neem dit mee naar de weduwe van die en die en de wezen van die persoon, naar de behoeftigen in die familie en armen van de familie van die en die.”
Sa’ied ibn Amr Al-Djoemahi was waarlijk één van de mensen die zichzelf wegcijferde zefls wanneer extreme armoede hem overkwam.